Het vreemde kind. De kindertijd al sleutel tot onszelf. Hoe verder we teruggaan in de tijd, hoe minder we over onszelf weten. We zijn vreemden voor onszelf. Oog in oog met onze vreemdheid wordt echter het vermoeden dat diep in de kindertijd de sleutel tot onszelf ligt alleen maar versterkt. Dat vermoeden wordt nog eens aangewakkerd door psychologen en biografen die de kern van onze persoonlijkheid graag in de kindertijd leggen. Maar alles wat we weten over onszelf hebben we uit de tweede hand, vooral van onze ouders, en wat weten zij zich eigenlijk nog met zekerheid herinneren?

In Het vreemde kind trekt een stoet van vreemde personages - van Kaspar Hauser tot Michael Jackson, van zoekgeraakte baby's, van wolfskinderen tot nieuwetijdskinderen - aan ons voorbij, met in hun kielzog een bont gezelschap van (on)echte vaders en slechte moeders, moeders die hun kinderen doden, maar ook ouders die het beste met hun kinderen voorhebben. Dan zijn er bovendien nog betweterige ontwikkelingspsychologen en bemoeizuchtige pedagogen, die als cartografen van de kinderziel geen detail vergeten vast te leggen, maar ons daarmee niet zelden het zicht op het kind ontnemen.
Gebaseerd op (auto)biografie, psychologie en fictie wordt in dit boek geprobeerd het vreemde kind in kaart te brengen. Op het gevaar af het raadsel te vergroten.